De Wandelmeent
Een projectbeschrijving
Architect: Pieter Weeda, Architectenbureau Leo de Jonge
Opdrachtgever: Stichting Woningcorporatie Het Gooi
Ontwerp: 1973-1976
Realisatie: 1976-1977
Oorspronkelijk programma: 54 woningen, ontmoetingsruimte, jeugdhonk, peuterspeelzaal, hobbyruimte, berging, ambachtswinkel, sauna, logeerkamer, clusterruimten, tuin, dakterrassen
Financiering: Woningwet (experimenteel plan)
Adres: Wandelmeent 1 t/m 67

De initiatieffase: van idealen naar visie op het wonen
Woonwensen en -idealen
Het initiatief van een lokale Centraal Wonen-groep begon met ideeën over een alternatieve woonomgeving. Zij kwamen met elkaar in contact door advertenties in lokale media. Eenmaal bijeengekomen, moest de groep een beeld vormen van de gezamenlijke idealen, wensen en verwachtingen. Dit was doorgaans een proces van minstens drie jaar, maar is essentieel gebleken voor zowel het ruimtelijke ontwerp als de sociale structuren. Na de oproep van Lies van den Donk-van Dooremaal werd in 1969 het idee van Centraal Wonen geboren. Nadat op landelijk niveau was nagedacht over de uitwerking hiervan, ontstonden lokale Centraal Wonen-initiatieven. Een van deze initiatieven was de Oostermeent in Huizen. Via een persbericht in De Gooi- en Eemlander in november 1973 werd een informatieavond aangekondigd in het toenmalige buurthuis Ons Huis. Onder het motto ‘Samen doen wat samen kan’, werkten ruim zestig belangstellenden in de Vereniging Centraal Wonen Ooster Meent aan het uitdenken van het project.1 Dit denkproces heeft ruim drie jaar geduurd, met als resultaat een nieuw project ten noordwesten van Hilversum: de Wandelmeent, het eerste Centraal Wonen-project. In een latere oproep stond: ‘Mensen gezocht die willen meewerken aan […] een samenlevingsvorm die de grenzen van het gezin overschrijdt’.2 Bij het overschrijden van de grenzen van het gezin stond één ding vast: het project zou geen commune worden maar juist een diverse en onafhankelijke bewonersgroep – ook voor mensen met een afstand tot de woningmarkt. De afwijzing van de commune had te maken met de experimenten met verregaande collectivisering in de late jaren zestig, waarbij bewoners hun inkomsten deelden, de kinderen gezamenlijk – of nalatig – werden opgevoed en slaapkamers werden gedeeld met de andere huisgenoten. In de Wandelmeent zou ieder huishouden over een woning beschikken met eigen keuken, badkamer en voor- en achterdeur om de privacy te garanderen. Pas dan konden de bewoners een vrijwillige bijdrage leveren aan de groep.Marian Verweij woont al sinds de oplevering in 1977 in de Wandelmeent en benadrukt dat een sturende ideologie ontbrak, zoals bij communes vaak het geval was. ‘Bewoners zijn zelfstandig, hebben iets gemeenschappelijks wat zich in de loop der jaren vormt, in plaats van dat er één gedachte is en dat mensen aansluiten bij die gedachte’.3 Maar wat gemeenschappelijk moest verlopen, was in de praktijk al ver voor de bouw uitgedacht. Bewoners wilden zeggenschap in het uitkiezen van nieuwe bewoners, in het beheren van de gemeenschappelijke ruimten en de controle over de dagelijkse beslissingen en samenwerkingsactiviteiten.4 De woonwensen en -idealen van de toekomstige bewoners van de Wandelmeent hadden een duidelijke sociale agenda: het creëren van een sociale woonomgeving die voor iedereen toegankelijk was.
Het belang van de woningcorporatie, de gemeente en de Rijksoverheid
De experimentele aard van Centraal Wonen zorgde ervoor dat de eerste projecten door bestaande regelgeving en scepsis van externe partijen zoals de overheid, lokale gemeenten en woningbouwcorporatie moesten breken. Wet- en regelgeving voor de bouw werd op overheidsniveau vastgelegd in de Voorschriften en Wenken.5 Tegelijkertijd werd de gedachte dat er andere typen woningen moesten worden gerealiseerd breed gedragen. Toenemende welvaart en afname van de woningnood maakten experiment in de woningbouw mogelijk. Vanuit het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening stelde minister Schut het programma voor Experimentele Woningbouw in, ter bevordering en vernieuwing van de kwaliteit van het wonen. Woningcorporaties, die vanaf de Tweede Wereldoorlog hadden voorzien in het bouwen van betere huisvesting, kregen in de jaren zestig meer beleidsvrijheid ten opzichte van de overheid en versterkten hun autonomie.6 Zij gingen steeds meer als ‘sociaal ondernemer’ te werk en kregen te maken met de democratiseringswens van burgers.7 Gemeenten moesten toestemming en bouwgrond verlenen voor de realisatie van Centraal Wonen-projecten. De ontwikkeling van groeikernen als nieuwe zelfstandige woonsteden bood genoeg ruimte om plaats te maken voor experiment in de woningbouw. Tegelijkertijd was de ergste woningnood opgelost en kon er meer aandacht worden besteed aan de werkelijke woonkwaliteit, zoals verwoord in de Derde Nota Ruimtelijke Ordening en het programma Experimentele Woningbouw. Zo was er destijds een gunstige situatie voor de realisatie van nieuwe woonvormen.Voor de Wandelmeent in Hilversum was in eerste instantie geen woningcorporatie bereid om het project te realiseren.9 Met het ontwerp van architect Pieter Weeda van architectenbureau Leo de Jonge op no cure, no pay-basis (geen uitvoering, geen betaling) werd RK-woningbouwvereniging St. Jozef met directeur Nico Schiltmans als opdrachtgever, bereid gevonden het project te realiseren.10 Hij zag het als een kans om zijn woningbouwvereniging op de kaart te zetten en bestaande regelgeving te veranderen.11 Daarnaast was de subsidie van het programma Experimentele Woningbouw essentieel voor de realisatie van het project. Door het predicaat ‘experimenteel’ kreeg het project extra subsidie en ontheffing van bepaalde voorschriften uit de Voorschriften en Wenken en de Modelbouwverordening.12 De Wandelmeent werd beschouwd als meervoudig experiment doordat het de eerste concrete uitwerking van het ‘Centraal Wonen’-idee was, door het ontwerp en de positie van de woongroep in de wijk en de zeggenschap van bewoners over de bestemming en indeling van de woning en de begeleiding van de architect.13 De gemeente Hilversum voorzag in het toewijzen van een bouwkavel en stemde in met de zeggenschap over de woningtoewijzing op voordracht van clusters, waarbij de bewoners van de Wandelmeent hun eigen buren mochten kiezen.14 Bovendien hoefden bewoners niet te voldoen aan de inkomensgrens voor woningwetwoningen.
Vanwege de pioniersfunctie van de Wandelmeent zijn ook connecties van een van de initiatiefnemers, Freek de Vries, belangrijk geweest. De Vries had kennis van de regels en restricties in de bouw en goede relaties met het ministerie van VRO. Architect Pieter Weeda benoemde dat De Vries de belangrijkste vertegenwoordiger van het project was.15 Kees Verweij, bewoner van de Wandelmeent vanaf de oplevering in 1977, benadrukt dat de realisatie volgens de Centraal Wonen-ideeën alleen kon plaatsvinden door de financiële steun, de versoepeling van de bouwregelgeving en de bijzondere samenwerking tussen gemeente Hilversum, de woningbouwvereniging, architecten Pieter Weeda en Leo de Jonge en de volhardende bewonersgroep.16
Inspraakmethoden
Bijzonder aan Centraal Wonen-projecten is de wisselwerking tussen de toekomstige bewoners en de architect. Bewoners spraken zich uit over de manier waarop zij gemeenschappelijk wensten te wonen en zochten een balans tussen keuzes in het belang van de groep en het individu. De architect maakte de vertaalslag tussen de woonwensen en het gebouw en hielp bewoners hun ideeën over wonen verder te ontwikkelen. De esthetiek van Centraal Wonen-projecten was een gevoelig aspect omdat deze de identiteit van de groep moest uitdrukken, terwijl voorkeur voor esthetiek een zeer persoonlijke kwestie is waar nauwelijks rationeel over gesproken kan worden.17 De ideeën over het wonen in de Wandelmeent vormden zich tijdens vergaderingen en werkweekenden in jeugdherbergen of op kampeerterreinen. De toekomstige bewoners en architect Weeda werkten daar aan het in kaart brengen van de woonwensen en idealen.18 Weeda maakte een ontwerp in nauwe samenspraak met de bewonersgroep en stuurde alleen een factuur indien het project gerealiseerd zou worden. Er zijn talloze enquêtes gehouden waarbij vragen werden gesteld over de gewenste vierkante meters per woningtype, de gewenste huurprijs, welke zaken bewoners wel of niet wilden delen, de keukenindeling en de evaluatie van het groepsproces (afb. 1). Het ontwerp werd inzichtelijk gemaakt met een grote maquette bestaande uit verplaatsbare houten blokken (afb. 2). Dit visualiseren en communiceren van ontwerp(keuzes) en het inspelen op kritiek van bewoners was essentieel om tot overeenstemming over het ontwerp te komen.19
Afb. 1 | inspraak enquêtes (foto: archief van de Wandelmeent, 1973). Turflijst met waardering voor zaken voor gemeenschappelijk gebruik.

Afb. 2 | maquette (foto: Bart de Vries, ‘Uit een oude doos’, Gewoon Anders, 32 (2009) 107, p. 17, geschatte datering 1973-1977, Bergen). De maquette toonde verschillende mogelijkheden voor het indelen van de straat. Elke opstelling werd bediscussieerd.
Het ontwerp: stedenbouw, architectuur en buitenruimte
De stedenbouw en architectuur
De eerste Centraal Wonen-initiatiefgroepen stonden voor de uitdaging een nog niet bestaande woonvorm in Nederland vorm te geven. Voor inspiratie werd naar buitenlandse voorbeelden gekeken, met name de ontwerpen voor ‘Cohousing’ in Denemarken. Desalniettemin was het ontwerpen voor Centraal Wonen een experiment waarvoor een gepaste vorm moest worden gevonden.Het eerste gerealiseerde Centraal Wonen-project is de Wandelmeent in Hilversum. Na een initiatieffase van drie jaar en één bouwjaar in 1977 werd het project opgeleverd. Het project is gerealiseerd op voormalige gemeenschappelijke weidegronde (een ‘meethe’) van Hilversum in de nieuwbouwwijk Hilversumse Meent.20 Het project telt vijftig sociale huurwoningen voor circa honderddertig bewoners. De projectarchitect Pieter Weeda was werkzaam bij het architectenbureau van Leo de Jonge, gespecialiseerd in de volkshuisvesting. De architecten Leo de Jonge en Ernest Groosman waren bovendien nauw betrokken bij het programma voor experimentele woningbouw. De Jonge was lid van de adviescommissie en beoordeelde maandelijkse nieuwe plannen.21 Weeda maakte een ontwerp voor de Wandelmeent op solidariteitsbasis, wat betekende dat indien het ontwerp niet gerealiseerd kon worden, er geen rekening zou worden gestuurd.
Weeda streefde ernaar om de Wandelmeent af te laten wijken van de omringende bebouwing, zonder het project te isoleren. De bebouwing moest geborgen, coherent en kleinschalig zijn, zoals in een dorp, en tegelijkertijd uitdrukken dat er anders werd gewoond. Daartoe ontwierp hij het project in de vorm van twee kruisende straten met in het midden een plein, wat ook bewoners uit de omringende omgeving moest uitnodigen erdoorheen te wandelen (afb. 3). De vijftig grondgebonden woningen bestaan uit twee tot drie bouwlagen met ieder een individuele ronde, groene kap. De woningen zijn verspringend van elkaar gepositioneerd, in ligging en in hoogte, waardoor een gevarieerd straatbeeld is ontstaan (afb. 4). De gevels zijn voorzien van gemetselde borstwering en rood houtwerk. De kleuren op deuren en kozijnen markeren de gemeenschappelijke voorzieningen op project- en clusterniveau. Deuren naar projectvoorzieningen zijn donkerblauw en naar clustervoorzieningen rood. Per cluster werden de kleuren voor de kozijnen bepaald, waarbij kon worden gekozen uit geel, oranje, blauw, groen of rood. De primaire kleuren en ronde vormen verbinden het project visueel met elkaar en geven uitdrukking aan de experimentele woonvorm. Tegelijkertijd is er geprobeerd een herkenbare woonomgeving te creëren door individuele, grondgebonden woningen en traditionele materialen als baksteen en hout. De verspringende grondgebonden woningen, trappen, gebogen daken en gekleurde panelen en kozijnen kunnen worden beschouwd als een poging om meer variatie en kleinschaligheid in de woonomgeving te realiseren – als reactie op de versoberde moderne woonomgeving uit de naoorlogse jaren.
![Afb. 3 | luchtfoto van de Hilversumse Meent, met in het midden de kruisvormige straten van de Wandelmeent (foto: , 2006, [23 april 2021]).](https://images.squarespace-cdn.com/content/v1/5e99c3d30631f465ea5cb5e5/67a5ad83-089a-4b04-a853-b145ab6fe555/Afbeelding1.png)
Afb. 3 | luchtfoto van de Hilversumse Meent, met in het midden de kruisvormige straten van de Wandelmeent (foto:
![Afb. 4 | de wandelstraat (foto: , geschatte datering 2016, [21 april 2021]).](https://images.squarespace-cdn.com/content/v1/5e99c3d30631f465ea5cb5e5/a3f2a221-2804-4ea5-a80c-20fd9e97c22b/Hilversumse_Meent_-_Wandelmeent.jpg)
Afb. 4 | de wandelstraat (foto: < https://www.bvintersell.nl/activiteiten/wandelmeent-hilversum#gallery-1>, geschatte datering 2016, [21 april 2021]).
Het woonprogramma
Het aantal gemeenschappelijke voorzieningen, de functie en de situering varieert per project. Dit was onder andere afhankelijk van de aanwezigheid van clusters binnen het project, met functies op projectniveau ter gebruik van alle bewoners en functies op clusterniveau ter gebruik van een kleinere groep. De vrijheid die de architect kreeg voor zijn ontwerp, door bijvoorbeeld de afwezigheid van een terugbouwbaarheidseis, was eveneens bepalend voor de uitwerking van het woonprogramma.De Wandelmeent is ontworpen met clusters.22 De vijftig woningen voor circa honderddertig bewoners zijn onverdeeld in tien clusters van vier à vijf woningen, met een vooruitgeschoven clusterkeuken (afb. 5).23 Deze positionering zorgt voor variatie in het straatbeeld en de grote ramen maken vanaf de straat zichtbaar wat er vanbinnen gebeurt. De voordeuren van de woningen zijn gericht op de clusterkeuken, die voor alle woningen van het cluster overdekt begaanbaar is. Iedere clustergroep bepaalt zelf hoe de clusterkeuken wordt ingericht en gebruikt (afb. 6). “Wij hadden met elkaar afgesproken dat we elkaar wilden tegenkomen tijdens het eten. Wij kozen ervoor de clusterkeuken zo in te richten dat je tegelijk kon koken. We hoeven niet altijd gezamenlijk te eten, maar je zou elkaar wel gemakkelijk tegenkomen.”24 De clusterkeukens zijn dan ook bedoeld ter stimulering van de ontmoeting tussen bewoners. In het project zijn zes niet-clustergebonden woningen voor bewoners die niet willen deelnemen aan een cluster, maar wel aan de gemeenschappelijkheid op projectniveau. Anders dan bij de clusterwoningen grenst de voordeur direct aan het openbare gebied.
Naast de niet-clustergebonden woningen bevat het project verschillende woningtypen en groottes: van twee-vlaks tot vijf-vlaks woningen.25 De grotere woningen zijn bedoeld voor gezinnen en de kleinere voor stellen of alleenstaanden. In de praktijk is de bewoner vrij de woning naar eigen wensen aan te passen wat betreft het aantal kamers. Iedere woning is volledig zelfstandig te bewonen met een eigen keuken, badkamer en woon- en slaapkamer. Om toekomstige flexibiliteit in de woning mogelijk te maken is er op de begane grond een doorbraak mogelijkheid gemaakt in de bouwmuur, zodat vlakken van naastgelegen huizen te koppelen zijn.26 De gipsen binnenwanden zijn makkelijk door te breken, zodat de plattegrond binnen de woning naar wens kan worden aangepast (afb. 7).
![Afb. 5 | plattegrond van een cluster, met de clusterkeuken gepositioneerd voor de woningen (foto: geschatte datering 1973-1977, [23 april 2021]).](https://images.squarespace-cdn.com/content/v1/5e99c3d30631f465ea5cb5e5/e800d958-7e85-4114-b1d1-7f765ac2c858/0011-1024x770.jpg)
Afb. 5 | plattegrond van een cluster, met de clusterkeuken gepositioneerd voor de woningen (foto:

Afb. 6 | interieur van een clusterkeuken (foto: Sanne van Drenth, januari 2021).
![Afb. 7 | flexibiliteit in de woningindeling (foto: geschatte datering 1973-1977, [23 april 2021]).](https://images.squarespace-cdn.com/content/v1/5e99c3d30631f465ea5cb5e5/cf1caf0a-0dd8-444a-a904-d9629fec5b72/01-e1579607421702-707x1024.jpg)
Afb. 7 | flexibiliteit in de woningindeling (foto:
De buitenruimte
Een belangrijk onderdeel van Centraal Wonen-projecten is de buitenruimte, omdat dit meer dan in reguliere woningbouw een gedeelde ruimte van de bewoners is. De buitenruimte is veelal een expressie van gemeenschappelijkheid, ontworpen om bewoners elkaar te laten ontmoeten of als zachte overgangsruimte tussen privé en openbaar. Bewoners passen zelf de inrichting en het tuinontwerp naar behoefte aan. De buitenruimte is een terugkerend en essentieel element van Centraal Wonen-projecten waar de geschreven en ongeschreven regels tot uiting komen. Er zijn verschillende typen buitenruimte met vergelijkbare gradaties in gemeenschappelijkheid te onderscheiden.De Wandelmeent heeft drie typen buitenruimten met verschillende gradaties van gemeenschappelijk gebruik. De wandelstraten zijn openbaar gebied en eigendom van de gemeente Hilversum (afb. 8). In nauw overleg werd besloten de straten in kruisvorm te leggen, met in het verlengde het winkelcentrum zodat bewoners van omringende buurten werden aangespoord door de Wandelmeent te lopen.27 Het was uitdrukkelijk de bedoeling dat de wandelstraten een openbaar karakter zouden krijgen. In de realiteit is de Wandelmeent toch een aparte buurt in de wijk. De wandelstraten hebben meer het karakter van een woonerfwijk. De vooruitgeschoven gemeenschappelijke ruimten en de vele straatelementen zorgen ervoor dat het einde van de straat niet zichtbaar is en buitenstaanders vanuit allerlei hoeken zichtbaar zijn. Buitenstaanders zijn zich ervan bewust dat hier sprake is van een alternatieve buurt (afb. 9). Dat maakt het karakter van de wandelstraat in feite semi-openbaar. De architecten Leo de Jonge en Pieter Weeda hebben verschillende ruimtelijke details aan het straatontwerp toegevoegd die dit gevoel versterken. De afwijkende architectuur van de Wandelmeent, evenals het in dito stijl ontworpen bushokje aan het begin van de straat, versterken het verschil met de omringende buurten. Er loopt een gootje door het midden van de straat en er zijn verhoogde randen en stoepen met een halfronde opening gebouwd. Dit zijn speelgelegenheden voor kinderen en verbinden het project visueel met elkaar (afb. 10). De ronde of halfronde elementen in de aanleg van groene borders en bestrating maken ook deel uit van het ontwerp van De Jonge en Weeda. In de bestrating is onderscheid gemaakt tussen openbaar- en woongebied, met tegels die in de tegenovergestelde richting zijn gelegd.
Vrijwel ieder cluster heeft een terras met tuinmeubilair op straat geplaatst. De clusters beschikken over een gedeeld dakterras dat uitkijkt over de wandelstraat, waarnaar een buitentrap leidt met een geïntegreerde lantaarnpaal. De wandelstraten zijn echte leefstraten. De leefsporen van de bewoners en de waterpomp op het kleine plein getuigen dat het echte leefstraten zijn. De pomp is een geschenk van de architect en een verwijzing naar het dorpse karakter dat de Wandelmeent was toebedeeld.28 Aan de achterzijde van de bebouwing bevindt zich een grote gemeenschappelijke tuin voor alle bewoners uit het project. Ook beschikken alle woningen over een eigen achtertuin. Door de verspringing van de woningen ten opzichte van de rooilijn zijn de tuinen niet allemaal even groot. Sommige clusters hebben ervoor gekozen hun tuinen niet af te schermen met een heg of schutting, waardoor het karakter van deze buitenruimte varieert van privé tot semi-gemeenschappelijk.
![Afb. 8 | buitenruimte van de wandelstraat, met tuinmeubilair voor het huis en de waterpomp op het plein (foto: , datering geschat 2016-2020, [23 april 2021]).](https://images.squarespace-cdn.com/content/v1/5e99c3d30631f465ea5cb5e5/edc57a7c-b206-432c-9e0b-4cfe501d6386/Pomp-en-sluis-kopie-768x1024.jpg)
Afb. 8 | buitenruimte van de wandelstraat, met tuinmeubilair voor het huis en de waterpomp op het plein (foto:
![Afb. 9 | bushokje (foto: Flip Krabbendam, , 21 januari 2020, datering afbeelding onbekend, [23 april 2021]).](https://images.squarespace-cdn.com/content/v1/5e99c3d30631f465ea5cb5e5/2b93d44b-8ec2-4ba4-a19b-89fb46b48347/wandel19.jpg)
Afb. 9 | bushokje (foto: Flip Krabbendam, < https://www.dearchitect.nl/architectuur/blog/2020/01/blog-gemeenschappelijk-wonen-centraal-wonen-in-de-hilversumse-wandelmeent-101234862>, 21 januari 2020, datering afbeelding onbekend, [23 april 2021]).

Afb. 10 | decoratief speelelement (foto: Sanne van Drenth, januari 2021).
Samenvattend
De Wandelmeent is specifiek van belang omdat dit als sleutelproject voor de Centraal Wonen-beweging kan worden beschouwd. Hier werd als eerste gepoogd de Centraal Wonen-ideeën vorm te geven. Het is niet bekend in hoeverre latere Centraal Wonen-initiatiefgroepen zich lieten inspireren door de Wandelmeent, maar het is aannemelijk dat de ervaringen werden gedeeld. De verschijningsvorm van het project, gebouwd in een typische jaren zeventig buurt, wordt bepaald door de stedenbouwkundige opzet van geschakelde rijtjeshuizen aan een autovrije woonstraat en de speelse, vrolijke architectuur met ronde kappen en rode gevels. De woningen zijn met hun voordeur gericht op de wandelstraat – een element dat bij andere vroege Centraal Wonen-projecten ook te herkennen is. Ter bevordering van het onderlinge sociale contact tussen bewoners en het gemeenschapsgevoel, zijn de huishoudens van Centraal Wonen-projecten verdeeld in clusters, zo ook bij de Wandelmeent. Bij clustering worden woningen gegroepeerd rondom gemeenschappelijke ruimten. Bij de Wandelmeent zijn deze clusterruimten gekoppeld en vooruitgeschoven ten opzichte van de woningen en bedoeld voor het gebruik van een specifieke groep bewoners. Clustering is een poging om een grotere groep en een groter gebouw op te delen in kleine delen. Maar ook in de architectuur is dit zichtbaar, door de integratie van trappen, balkons en ‘hoekjes om’ en de gevarieerde opzet van grondgebonden woningen. Deze ontwerpkeuzes op het niveau van het stedenbouwkundig detail, laten zien hoeveel aandacht er ging naar de beleving van het project, zowel voor de bewoners van het project als de omringende bewoners. Gesteld kan worden dat de stedenbouw en architectuur van de Wandelmeent geheel binnen de kleinschaligheidsbeweging past, waarin ontwerpers zochten naar de essentie van de huiselijke omgeving. Het project is met veel zorg ontworpen in samenspraak met bewoners en een coherent maar afwisselend geheel, waarbij de vele ‘tussenruimtes’ zijn toegeëigend door bewoners, hetgeen uitdrukking geeft aan gemeenschappelijke aspect.
Noten
De Wandelmeent, <https://wandelmeent.nl/> [7 april 2021].
Zie noot 1.
Marian Verweij, interview met de bewoonster van de Wandelmeent, Hilversum/Arnhem, 1 februari 2021.
Fromm, D., E. de Jong, Cluster Cohousing Revisited, Berkeley/Rotterdam (Social + Design Press) 2019, p. 41.
Centrale Directie van de Volkshuisvesting en de Bouwnijverheid, Voorschriften en wenken voor het ontwerpen van woningen (1965), ’s-Gravenhage (Staatsuitgeverij) 1969 (herdruk).
Beekers, W.P., Het bewoonbare land: Geschiedenis van de volkshuisvestingsbeweging in Nederland Amsterdam (BOOM) 2012 (PhD onderzoek; VU Vrije Universiteit), p. 213.
Enkele tientallen gemeenten en corporaties hebben een Centraal Wonen-groep erkend en zeggenschap verleend op enkele van de volgende aspecten: woonwensenprogramma, architectenkeuze, zelfwerkzaamheid, woningtoewijzing en andere beheertaken, huurverdeling en gedeeld risico voor huurderving, gemengde financiering, leningen ten behoeve van collectieve ruimten. Bovendien is er in veel gevallen periodiek overleg over het beheer. Diverse woningcorporaties en gemeenten zijn niet afkerig van intensieve bewonersparticipatie. Kesler, B., Centraal wonen in Nederland. Een onderzoek naar bewonerservaringen en sociaal-ruimtelijke voorwaarden, Wageningen (Landbouwuniversiteit Wageningen) 1991, p. 256.
Schut 1968; Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening 1973 – Dl. 1, 2 en 3.
Ibid., pp. 30-31.
RK-woningbouwvereniging St. Jozef is inmiddels woningbouwcorporatie Het Gooi en Omstreken.
Marian Verweij, interview met de bewoonster van de Wandelmeent, Hilversum/Arnhem, 1 februari 2021.
Het bleek niet genoeg om alle extra kostenposten te drukken, zoals de kosten voor de gemeenschappelijke voorzieningen, de woningindeling naar keuze en de voorbereidingskosten, evenals de terugbouwbaarheidseis naar zelfstandige woningen in het geval van mislukken. Woningen werden verkleind en het project kreeg extra subsidie, zodat het project binnen de woningwetsector kon worden gebouwd. Bron: Kesler, B., Centraal wonen in Nederland. Een onderzoek naar bewonerservaringen en sociaal-ruimtelijke voorwaarden, Wageningen (Landbouwuniversiteit Wageningen) 1991, pp. 30-31.
Baars, H.D., Grossouw, H., Ontwerpen met predikaat, 1973-1974, serie A2, ’s-Gravenhage (Ministerie van VRO), 1978.
Kesler, B., Centraal wonen in Nederland. Een onderzoek naar bewonerservaringen en sociaal-ruimtelijke voorwaarden, Wageningen (Landbouwuniversiteit Wageningen) 1991, p. 88.
Fromm, D., E. de Jong, Cluster Cohousing Revisited, Berkeley/Rotterdam (Social + Design Press) 2019, p. 40.
Persoonlijke correspondentie met Marian Verweij en Kees Verweij, bewoners van de Wandelmeent, 30 januari 2021.
Kesler, B., Centraal wonen in Nederland. Een onderzoek naar bewonerservaringen en sociaal-ruimtelijke voorwaarden, Wageningen (Landbouwuniversiteit Wageningen) 1991, pp. 260-261.
Zie noot 1.
Zie noot 17.
Barzilay, M., ‘Ex 73 183 Hilversumse Meent, Wandelmeent’, Experimentele Woningbouw ’68-’80 Revisited, 11 november 2016 <https://www.experimentelewoningbouw.nl/portfolio/ex-73-183-hilversumse-meent-wandelmeent/> [8 april 2021].
Barzilay, M., R. Ferwerda, A. Blom, Predicaat Experimentele Woningbouw 1968-1980, Amersfoort (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) 2018, p. 25.
Het idee van clustering ontstond nog voordat architecten Leo de Jonge en Pieter Weeda betrokken waren bij de initiatiefgroep. Op bijeenkomsten in de Kargadoor in Utrecht, omstreeks 1972 georganiseerd door de initiatiefgroep Het Gooi en de net opgerichte Landelijke Vereniging Centraal Wonen, werd het cluster-idee gepresenteerd. Bron: Aart Oosthoek, persoonlijke correspondentie met oud-bewoner van de Wandelmeent, 1 maart 2021.
Krabbe, R., P. Vlug (red.), Centraal Wonen in beeld 1977-1986 deel 1, Rotterdam/Hoogezand (Stichting Huis in Eigen Hand/Landelijke Vereniging Centraal Wonen) 1986, p. 36.
Marian Verweij, interview met de bewoonster, Hilversum/Arnhem, 1 februari 2021.
‘Vlakken’ staan voor groottes en kamers. Een tweevlaks-woning heeft twee vlakjes en een grondoppervlakte van 5 bij 8,60 meter. Een vijfvlaks-woning heeft op de begane grond twee vlakjes, op de eerste verdieping twee vlakjes en op de tweede verdieping een vlakje en een balkon.’ Bron: DE WANDELMEENT, 2021.
Zie noot 23.
Zie noot 1.
Zie noot 1.